Wim Rutgers in ArubahuisWim Rutgers gaf in het Arubahuis in 's-Gravenhage op maandag 27 april 2009 een lezing. Het was flink aanpoten, vonden de studenten van de Universiteit van Amsterdam, die het college bijwoonden. Tja, wat wil je: spreker was de man die de Antilliaanse literatuur tot in alle uithoeken heeft verkend, geïnventariseerd, gebloemleesd, beschreven. Hoeveel boeken heeft hij er aan gewijd? Twintig? En nu schroefde hij nog eens een extra lens onder zijn microscoop: niet de alle zes de Nederlandse Antillen, niet enkel de Benedenwindse eilanden, nee, enkel de literatuur van Aruba. Je zou veronderstellen dat de grote literaturen hoofdbrekens geven als je die goed in kaart wil brengen: de Amerikaanse, de Franse, de Russische. Maar hoe meer je inzoomt, hoe complexer het is om het weefsel van een literatuur te beschrijven. Wat is relevant, wat niet? Wie zegt wat en wat is van al die uitspraken dan het soortelijk gewicht? Geschiedenis is altijd persoonlijk. Twee volle uren sprak Rutgers. Een stroom aan teksten kwam voorbij via de powerpoint (geen plaatjes!) en een onafgebroken reeks namen. Dat lijkt didactisch niet bijster verantwoord, maar het is heel Antilliaans, pardon Arubaans: je moet iedereen noemen, want stel je voor dat er een dichter of schrijver in de zaal zit en je noemt die niet. Heb je de poppen aan het dansen…
En er zaten er wat in de zaal. Zowat alles wat uit Arubaanse hoek komt, schrijvend actief is en in Nederland woont: romanschrijfsters Giselle Ecury (Erfdeel, 2006, Conserve) en Myra Römer (Het geheim van Gracia, 2008, Atlas), dichter Henry Habibe (bundel Vulkanisch samenzijn, 2008, In de Knipscheer), Papiamento-schrijver Quito Nicolaas (roman Tera di silencio, 2004), vertelster Olga Orman (Hoe Anansi het Tumbafestival won (1998, ABC). En dan ook nog Igma van Putte, auteur van het grote woordenboek Papiaments, en Jos de Roo, criticus en correspondent van de Wereldomroep op Aruba. Al die namen waren al bij eerdere colleges voorbijgekomen, en om ze dan allemaal in levende lijve te zien en te horen is een ervaring waar je als docent zelfs met je geniaalste college niet tegenop kunt. Stel je voor dat je in Amsterdam in een zaaltje zit bij een lezing over Nederlandse literatuur en A.F.Th. van der Heijden, Arnon Grunberg, Connie Palmen, Jeroen Brouwers, Hella Haasse en Adriaan van Dis zitten daar bij elkaar… En nu ik deze namen neerschrijf, realiseer ik me maar al te goed hoezeer dit soort vergelijkingen is ingegeven door een vorm van groezelig en griezelig hokjesdenken. Want Giselle Ecury, die al zowat haar hele leven in Nederland woont, is toch evenzeer een Nederlands auteur? En Myra Römer wonend op het Groninger platteland en publicerend bij bij Atlas? En Quito Nicolaas, de actiefste auteur van Almere? Neerlands bekendste neerlandicus, Thomas Vaessens, heeft het me onlangs nog snikkend bezworen terwijl hij de veters van mijn schoenen strikte en ik de askegel van mijn sigaar wegtikte op zijn blootgekomen stuk rug waar het wasmerkje van zijn Armani-slip langzaam in grijze neerslag werd uitgewist: 'Ik beloof het, Michiel, we spreken nooit meer enkel en alleen over witte auteurs - tenzij Omo Wit & Fijn een bijzondere leerstoel wil bekostigen.'
Na afloop van Wim Rutgers' college mochten de studenten buiten bij de beeltenis van Betico Croes op de gevel van het Arubahuis nog een minicollege aanhoren door Franklin (Kenkey) Oduber, directeur van de Onderwijsafdeling van het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Aruba. En toen bleek er even verderop in een doodnormaal rijtjespand het beste Chinese restaurant van Den Haag te zitten. Daar schoof Dialma, studente van Aruba, aan tegenover prof. dr Wim Rutgers. En uit de dialoog die zich toen ontspon, citeer ik deze zinnetjes uit de mond van de hoogleraar: 'Ben jij Geerman? Ik heb je moeder nog in de klas gehad! En je vader Pancho Geerman heeft nog een dichtbundel geschreven! Verdorie, die heb ik nu net niet genoemd!' Michiel van Kempen |