Derde promovendi-dag (weekend)









Derde promovendi-bijeenkomst 28-30 mei 2010

Het laatste weekend van mei troffen alle promovendi elkaar in Ermeton-sur-Biert in de prachtige Belgische Ardennen. Er waren bijzondere colleges/workshops van prof. Wim van den Berg, dr Frans Blom, drs Adrienne Zuiderweg en prof. Michiel van Kempen. Alle promovendi gaven presentaties over hun onderzoek en kregen feedback van bovenstaande docenten en van prof. Elisabeth Leijnse. Er was ruime gelegenheid de contacten aan te halen en elkaar problemen voor te leggen.



Op de foto v.l.n.r. eerste rij Paul Hollanders, Michiel vanKempen, Sabine Ernst, Cheryda Adama-de Ziel, Tim de Wolf; daarachter Carl Haarnack, Benoit Verstraete, Johan Graaven, Matthijs Ponte, achterste rij: Joe Fortin, Jos de Roo, Radjin Gena.(Niet aanwezig waren: Cynthia Abrahams, Liselotte Hammond, Ida Mursidah en Ellen de Vries)


Hieronder de voordracht van Wim van den Berg

Maieutische overpeinzingen van een vroedvrouw in retraite

Het weerzien van Adrienne en Jos, de kennismaking met promovendi als Cherida en Paul of supporters van de aanstaande doctoren zoals Mickey, maakten, dat ik me al heel snel opgenomen voelde in de groep. Met veel genoegen, niet in het minst door het voortreffelijk opgemaakte bed, denk ik terug aan gisteren en eergisteren.

Onderstaande 'adviezen' berusten op mijn ervaringen in het begeleiden van dissertaties. Vergeef het de schoolmeester. Hij bedoelt het goed.

Vaststelling van het onderwerp. U doet er goed aan uw onderwerp zo snel mogelijk vast te laten leggen. Dat is het werk van uw promotor, zodat doublures in onderwerpen worden voorkomen. In Nederland een mooi en tragisch voorbeeld: In 1929 verscheen een dissertatie over de Engelse romanticus Byron van de hand van U. Schultz, Het byronianisme in Nederland. Schults promoveerde bij de Amsterdamse hoogleraar De Swaen, één jaar nadat T. Popma een vuistdikke dissertatie (416 pagina's) had verdedigd bij de Utrechtse hoogleraar De Vooys: Byron en het Byronisme in de Nederlandsche letterkunde. Ik noem het even, maar ik had het even goed niet kunnen zeggen, want jullie promotor staat er borg voor, dat dit niet jullie niet overkomt.

Afbakening onderwerp: Ik weet niet hoe ver sommigen van jullie al zijn, maar als je nog aan het begin staat en vermetele ideeën hebt om een substantieel element van de literaire wereld in kaart te brengen, dan wil ik je toch waarschuwen: houd het liever beperkt, ga eerder de diepte in dan dat je de oeverloze breedte gaat verkennen. Een proefschrift is namelijk geen levenswerk, maar een eerste proeve van wetenschappelijke bekwaamheid die gevolgd kan worden door andere bewijzen van meesterschap. De dissertaties van nu mogen niet lijken op de wagenwijde prijsvragenonderwerpen die literaire genootschappen in de negentiende eeuw aan hun leden, met een gouden erepenning als beloning, voorhielden. Neem bijvoorbeeld Willem de Clercq. Hij waagde zich aan de beantwoording van de volgende vraag:

Welken invloed heeft vreemde letterkunde, inzonderheid de Italiaansche, de Spaansche, Fransche en Duitsche gehad op de Nederlandsche taal- en letterkunde, sints het begin der Vijftiende Eeuw tot op onze dagen?

De 25jarige De Clercq begon er aan in juni 1821 en rondde zijn antwoord af ….binnen vijf maanden.En het werd nog met goud bekroond ook.

Mijn dwingend advies is: Houd het klein en als het bijeengebrachte materiaal overstelpend blijkt te zijn, perk dan je onderwerp tijdig in ruimte en tijd verder in. Om eens persoonlijk te worden, toen ik de hybris had om de ontwikkeling van de term romantisch in tijdschriften en verhandelingen in kaart te brengen, wilde ik eerst vanaf de eerste Nederlandse woordenboeken uit de zestiende eeuw tot de complete verwatering van de term in de jaren 70 van de vorige eeuw alles gaan verantwoorden. Als ik dat had geprobeerd,was ik nooit gepromoveerd en was ik nu nog materiaal aan het verzamelen. Na een paar jaar zag ik het hopeloze van de onderneming in en gelukkig ook mijn promotor. Hoe klein het werd mag blijken uit de uiteindelijke titel, waar ik bijna een prijs voor heb gekregen als zijnde de meest saaie titel ooit aan een proefschrift gegeven: De ontwikkeling van de term romantisch en zijn equivalenten in Nederland tot 1840.

De verhouding met je promotor.

Ik noemde al de promotor. Die afbakening, het binnen de perken houden is een zaak die behalve een eigen beslissing, ook het gevolg moet zijn van overleg met je promotor. Hij kan het gebied overzien, heeft vaak met hetzelfde bijltje gehakt en kan je behoeden voor een al te grote ruimtereis.
Zoek een promotor die bij je past. Immers je hebt hoogleraren/promotoren in soorten en maten: Prof. Gerretson, bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van Nederlands Indië en de vergelijkende koloniale geschiedenis, ook bekend als de dichter Geerten Gossaert, had de reputatie, dat hij grotendeels de dissertaties van zijn promovendi schreef. Daar tegenover het type promotiebegeleider dat je teveel ruimte geeft, of omdat hij het te druk heeft of omdat het onderwerp hem eigenlijk niet interesseert. Er zijn er ook die je het zeer moeilijk kunnen maken, omdat je op wat ze als hun eigen specifieke terrein beschouwen er een andere mening op na houdt. En dan heb je er ook nog die, als je een hoofdstuk hebt ingeleverd je maanden laten wachten, voordat ze commentaar geven. De beste promotor is de man of vrouw van het 'juste milieu'; een soort vroedvrouw met maieutische gaven of met een ander beeld een soort boksbeugel, waar je zo hard mogelijk op moet slaan.
De beste relatie met een promotor wordt mijns inziens gekenmerkt door distante vertrouwelijkheid. Geen hartsgeheimen uitventen, niet verliefd worden, de man of vrouw niet verleiden, geen onderdanige klefheid uitstralen. Vertrouwelijke afstand zorgt voor een prettige zakelijkheid. Hoogstens mag volgens mij de promotor uitgroeien tot een vaderlijke vriend of vriendin, aan wie je je zorgen over je proefschrift kwijt kan.
Ja, die zorgen over de dissertatie. Schrijven aan een proefschrift is vaak een eenzaam avontuur, een winters gebeuren in vrieskou. En er komen momenten, dat je vast raakt, er niet meer uitkomt, het niet meer ziet zitten, wil ophouden, weglopen. Ik zal het woord nog een paar keer gebruiken: dat is klassiek. Of liever, dat overkomt een ieder die serieus dat bijltje in de hand neemt. Er zijn natuurlijk uitzonderingen. Figuren die een promotor alleen maar nodig hebben voor de administratieve afwikkeling, die al klaar zijn, voordat ze de eerste afspraak maken. Of die het klaar spelen om op één dag (woensdag 29 juni 1966) twee keer te promoveren, zoals mijn oud-collega De Deugd, met een monumentaal proefschrift over de Europese romantiek in de letterenfaculteit te Utrecht, maar ook binnen de filosofische faculteit met een proefschrift over Spinoza. Maar dat zijn echt uitzonderingen. De meesten krijgen momenten van grote twijfel, ja tot wanhoop toe. Dames en heren, dat is dus klassiek, dat behoort tot het promotieleed en dat moet je niet berontrusten.
Je kan ook tijdens het promotietraject allerlei obstakels tegenkomen, zoals ziek worden. Een promovendus van mij was goed bezig, maar kreeg last van RSI, een muisarm en kon niet meer tikken. Met ijzeren geduld heeft hij zich het toespreken van de computer aangeleerd. Een tweede had een aardige aanstelling, werd plotseling ontslagen en moest daardoor haar werkzaamheden aan het proefschrift een tijdje laten liggen. Het is zaak, als zulke momenten van twijfel aan de voortzetting of afronding van je proefschrift je bespringen, dat je dat dan niet alleen oplost, maar dat je aanklopt bij je promotor en eerlijk vertelt in welke impasse je zit. Je zal merken, dat een goede promotor- en die hebben jullie allemaal - dan een vaderlijke vriend is, of misschien nog beter een coach die je goede raad kan geven.
Soms wordt na enige tijd duidelijk, dat het tussen de promovendus en de promotor niet klikt. Het beste is natuurlijk: uitpraten en proberen de zaak weer vlot te krijgen. Als dat niet lukt, wil het vaak helpen om een tweede promotor voor te stellen. Dat geeft ruimte en kan heel vruchtbaar zijn. Een tweetal promoren kan in bepaalde gevallen ook al bij de start zinvol zijn, omdat de kennis, het inzicht niet altijd bij één man of vrouw ligt. In het uiterste geval,als er geen oplossingen lijken te komen, dan kan het zinvol zijn alsnog een andere promotor op te zoeken, maar alleen in het uiterste geval. .

De rol van medepromovendi

Troost en ondersteuning krijg je misschien nog meer dan van je promotor van je medepromovendi. Dat is tegenwoordig heel wat beter geregeld dan vroeger. In mijn studententijd was het eigenlijk een beetje uitsloverig om te promoveren. Je stond er ook alleen voor. Bij het Instituut voor vergelijkende literatuurwetenschap in Utrecht was ik een van de weinigen die in die tijd aan een dissertatie werkte. Nu worden en er binnen allerlei wetenschapsgremia weekenden en symposia georganiseerd, waar promovendi van verschillende promotoren elkaar ontmoeten, hun verhalen leren afsteken en onderling zich bekwamen in het kritiek uitoefenen. Prachtig, zoals ook dit jaarlijkse weekend dat voor jullie wordt georganiseerd.

Ik ging met mijn promovendi nog iets intensiever om, in uw ogen wellicht te knus. We kwamen tussen de vier tot zes keer per jaar bij elkaar, op de kamer van een van de promovendi of bij mij thuis: één hield een verhaal over zijn of haar vorderingen, hem of haar werden kritische vragen gesteld, suggesties gedaan, naar bepaalde literatuur verwezen en ten slotte werd er een sobere maaltijd gebruikt. Voor de dag van de waarheid werd het proefschrift aan alle promovendi uitgereikt en degenen die het meest vertrouwd met de materie waren, stelden kritische vragen. Het lijkt een toneelstukje, maar het werkte voortreffelijk. Meermalen is het voorgekomen, dat na afloop van de echte promotie de jonge doktor opmerkte, dat de medepromovendi het haar of hem moeilijker hadden gemaakt dan de dames en heren in de corona. Misschien ook niet helemaal meer van deze tijd, maar toch wel door iedereen op prijs gesteld was de usance om na de promotie een lied te zingen, waarin satirisch werd teruggekeken op het afgelegde traject. Zoiets schept een band en die blijft hecht, zoals een paar maanden geleden bleek, toen een elftal van mijn oud-promovendi ter gelegenheid van mijn verjaardag mij thuiskwamen verrassen.

De relatie onderzoek-verslag

Je hebt je onderwerp goed afgebakend. Piketpaaltjes geplaatst, tot zover en niet verder. En je begint je onderzoek. Het ene is het andere niet, maar er komt een moment, dat je dingen wilt gaan vastleggen. Je doet dat natuurlijk in feite al van het begin af aan. Je bouwt een materiaalverzameling op en dat gaat tegenwoordig met de computer natuurlijk stukken gemakkelijker dan vroeger. Stel, dat je materiaal hebt voor je eerste hoofdstuk ( natuurlijk niet voor de Inleiding, want die schrijf je het laatst ) en je begint het in te voeren op je computer, want ik neem aan, dat niemand meer werkt, zoals ik, met een typemachine en een flesje typex en zonder doorslagen voor medelezers met carbonpapier, zoals de man die niet wilde promoveren, maar wel de meest fascinerende zevendelige, brontosaurische roman geschreven heeft, Han Voskuil.
Misschien zijn jullie stuk voor stuk uiterst nauwkeurig en dan gaat mijn opmerking over jullie hoofden heen, maar je materiaalverzameling moet kloppen, betrouwbaar zijn voor je die begint op te slaan. Het overkomt vrijwel iedereen, dat de tekst van de materiaalverzameling niet helemaal correct is: er worden spellingfouten gemaakt, pagineringen kloppen niet, de genoemde vindplaatsen zijn onjuist. Als je jezelf geen dubbel of driedubbel werk wilt bezorgen, blijf dan je materiaalverzameling woord voor woord controleren, voordat je die opslaat in je computer. Dat geldt ook voor de invallen die je al onderzoekende krijgt of zaken die je toevallig tegenkwam en waarvan je niet weet of je ze wel of niet gaat gebruiken. Reserveer een bestand onder namen als curiosa, addenda, adversaria of iets dergelijks en vooral met vermelding van de juiste vindplaats. Want een geheugen als het wonderkind Rijklof Michael van Goens hebben maar weinigen. Van Goens schreef zelf over het archiveren van zijn studiemateriaal aan zijn zwager Van Alphen:
Ik heb 't op allerleij wijzen geprobeerd: doorschoten lexica, en compendia; beschrijven van de schutbladen van mijne boeken; bekladden van de rand van de boeken zelven. Alphabetische leggers, generale en bijzondere: Losse papiertjes, kaarten enz. Eindelijk het achtereen schrijven van alles in één boek, en achteraan een index. In geene van alle metoden heb ik het kunnen uithouden! En mijn beste of enige adversaria zijn gebleeven, eene groote bibliotheek, mijne memorie, en, vouwtjes in mijne boeken.
Van Goens had een uitgebreide bibliotheek van meer dan 20.000 boeken, de huidige promovendus niet en ons geheugen mogen we maar beperkt vertrouwen.
Ik ben betrokken geweest bij een promotie van iemand - ik zal zijn naam niet noemen - die cum laude is gepromoveerd en inderdaad een uitmuntend proefschrift schreef, maar hij was de slordigheid zelve. Ik corrigeerde een tekst van hem. In een citaat zaten 23 fouten. Ik wees ze aan en vroeg hem ze te verbeteren, bij de volgende keer waren het er nog maar 19. ..Toen heb ik zelf zijn teksten maar gekuist. Het verraderlijke is, dat we over het algemeen niet lezen wat er staat, maar met een kleine variatie op Nijhoff, dat we denken te lezen wat er staat. Hoe meer we thuis zijn in een onderwerp, des te groter het gevaar, dat we fouten niet meer opmerken. Vandaar, dat ze bij de Leidse uitgever Brill Hebreeuwse teksten laten corrigeren door correctoren die het Hebreeuws niet machtig zijn.
U behoef ik niet te waarschuwen, dat U backups maakt van alles wat u op papier of liever op de computer zet. Als U dat getrouw wordt U de ramp bespaard die de oude Kamerbeek, die zich altijd Kamerbeek junior noemde, overkwam. Hij was eigenlijk klaar met zijn dissertatie, totdat bij het bombardement van Rotterdam zijn manuscript in vlammen opging. Pas tientallen jaren later kwam hij terug met een flinterdunne tweede dissertatie, maar niettemin een mooi boek: Albert Verwey en het nieuw classicisme (1966).

Het schrijven en de voltooiing van het proefschrift

Als de materiaalverzameling in orde is, komt het spannende moment van het componeren van de dissertatie.
Er kunnen natuurlijk geen algemene richtlijnen voor gegeven worden, maar ik heb mijn promovendi altijd wel voorgehouden, dat ze niet te lang moesten wachten met hun vondsten en bevindingen in gelid te zetten, er een half of heel hoofdstuk van te maken. Dat is een even gelukzalige als huiveringwekkende ervaring: je hebt je materiaal en je hebt niet alleen een idee of liever dat idee moet je gaan krijgen hoe dat materiaal zich dient te voegen naar jouw visie op dat materiaal. En die botsing tussen materiaal en visie komt nog verder onder druk te staan, omdat visie en materiaal wachten op jouw bewoording, jouw stilistische vormgeving. Sommige promovendi hebben alles mee: overdadig, rijk materiaal, van het begin af aan een richtinggevoel, een stevige probleemstelling en een benijdenswaardig taalgevoel, dat zorgt voor een huppelende, zangerige, bijna poëtische verbaliteit. Hopelijk behoren jullie allemaal tot die geluksvogels en dan mag je je oren verder sluiten voor datgene wat ik hier te berde breng. Mijn praktijk heeft echter wel anders geleerd, te beginnen bij mijzelf. WAP Smit schreef na lezing van mijn eerste schrijfsel: U beschikt, als U zich er op toe legt over een goede stijl. Dat wil zeggen, dat het niet van zelf ging: ik moest blijven schaven aan wat ik op papier zette. En dat geldt denk ik voor de meeste promovendi. Daarom is het goed, dat U voor dit weekend een gedeelte van uw onderzoek op papier hebt gezet. U heeft natuurlijk al genoeg geoefend met scripties en daar ervaring mee opgedaan, maar een dissertatie is een zaak van lange adem en dat vraagt niet alleen om uithoudingsvermogen, maar ook om durf niet te lang te wachten een deel van uw materiaalverzameling om te smeden tot een hoofdstuk. In de praktijk komt het herhaaldelijk voor, dat al componerend het blijkt, dat iets onderbelicht is gebleven en dat aanvullend onderzoek nodig is. Dat kan veel beter in een eerste fase gebeuren dan in een slotfase als je bijna bezwijkt onder je vondsten, maar je bevindingen toch nog aanvullend onderzoek nodig hebben.
Ik weet niet hoe jullie promotor daar tegenover staat, maar als je opziet tegen een karwei, dat jaren in beslag neemt en pas aan het eind een product oplevert, dan kan je natuurlijk kiezen voor het promoveren op een aantal samenhangende artikelen. Een goed voorbeeld daarvan is de cultuurhistoricus Wijnand Mijnhardt die een aantal substantiële artikelen schreef over culturele genootschappen en die ten slotte vooraf liet gaan door een forse inleiding toen hij in 1988 promoveerde op Tot heil van 't menschdom. Dat schrijven aan een dissertatie kent verschillende modi. Er zijn studenten die op geregelde tijden hun opwachting maken met weer een nieuw hoofdstuk en als promotor heb je weinig anders te doen dan te wijzen op een vergeten publicatie of je respect te betuigen voor het gehalte en de snelheid waarmee de hoofdstukken elkaar opvolgen. Maar het kan ook anders: ik wil U met dat promotieleed nu niet opzadelen, maar wel zeggen, dat je soms terug moet komen op gevormde vooroordelen. Ik heb enkele promoties begeleid, waar ik van het begin af aan een hard hoofd in had: traag, veranderlijk, moeizaam van formulering en dan ineens komt er vaart in, begint het boek te glanzen. Voor velen vertoont het dissertatieverloop het volgende patroon: men begint met elan, dan is er een middenstuk waarin de pen verslapt en dan een eindfase waarin men de stal ruikt en begint te galopperen . Mijn belangrijkste advies voor die schrijffase is: begin er niet te laat aan.

Klaar en toch druk.

Als het manuscript klaar is en U met Multatuli wilt uitroepen: 'Lieve hart, mijn boek is af'' bent U er nog niet: de eerste drukproeven komen er aan, u moet gaan corrigeren en het werk moet naar de promotiecommissie. Een afspraak moet er komen met de pedel, tegenwoordig maanden vooruit en er ontstaat spanning of alles wel op tijd klaar is. En dan is er de prangende vraag: wie betaalt mijn dissertatie? Dat kan veel geld kosten. Op dat punt is uw promotor meer dan een vaderlijke vriend een geslepen zakenman. Hij kent alle mogelijke instellingen die, als ze genoemd worden, geld willen geven uit zijn hoofd. Hij schrijft ze aan in wervende epistels en voor U het weet ontvangt uw zoveel subsidie, dat U er ook het promotiediner van kan bekostigen. Maar goed alles komt op tijd klaar. U bent zo aardig exemplaren van uw dissertatie niet alleen persoonlijk aan uw promotor te geven, maar ook aan de leden van de promotiecommissie. En hopelijk doet U dat fierder en zelfbewuster dan ik deed. Ik belde in de Karel Doormanlaan in Utrecht aan bij een hoogleraar geschiedenis, een man met vlerkachtige trekken. Hij deed de deur open,pakte het boek aan en ik kon gaan. Toch was ik opgelucht, want ik dacht als hij mij binnen had gelaten en in het boek was gaan bladeren, zou hij schaterlachend onmiddellijk op een stomme fout hebben gewezen.

Het promotieritueel:

Het enige wat nog rest is de promotiedag zelf. Als U een goede promotor hebt, en nogmaals dat hebben jullie, dan belt hij je de avond voor de promotie op en vraagt hoe je je voelt. Het goede antwoord is: ik ben gespannen, zenuwachtig. Als U dat niet bent, moet U zich echt zorgen maken.

Die goede promotor houdt U voor, dat ook dit dit klassiek is en hij legt U ook uit, waarom. U bent gespannen, omdat U denkt, dat U een belachelijk proefschrift hebt geschreven, dat door de corona zal worden vermalen. Maar hij zal U zeggen, dat dat niet het geval is. Hij zal zeggen, dat U een goed boek geschreven hebt, want U heeft immers zijn fiat en sterker, ook de leden van de promotiecommissie hebben het allen goedgekeurd en zij zijn ten slotte degenen die U de volgende morgen vragen zullen stellen. En hij zal ook hartstochtelijk betogen, dat U van hele gezelschap in de aula het meeste weet van het onderwerp. Er kan dus niets meer mis gaan. Als het een goed psycholoog is en dat is uw promotor, zal hij U zeggen, dat uw gespannenheid te maken heeft met uw ijdelheid: U wilt namelijk niet hakkelen, stotteren, kortom afgaan tegenover uw geliefde, kinderen, vader en moeder en al die vrienden en vriendinnen van U die netjes opgedirkt willen horen hoe U al die lastige hoogleraren de mond weet te snoeren. Maar wees gerust, U gaat niet af voor uw dierbaren, zelfs een mogelijk stuntelig antwoord zullen ze ervaren als een eerlijk antwoord zoals de lijsttrekker van de Partij van de Arbeid, Job Cohen dat ook zo geraffineerd weet te doen.
Het is te hopen, dat de godin van de wijsheid, Pallas Athene U zo goedgunstig gezind is, als zij mij, zeer lang geleden, behulpzaam was: De hoogleraren Brandt Corstius en Teesing, aan het hoofd van de cortege, stonden voor de deur van de aula te ginnegappen. Ik stond helemaal achteraan, gespannen. Toen deed de pedel voor een volle zaal de deur open en wat bleek, Teesing en Brandt Corstius waren met de balletjes van hun toga aan elkaar geklit en probeerden zenuwachtig en hoogrood wordend los te geraken. Ik zag dat en de spanning week. Ik wens jullie ook zo'n hulp van boven toe.
Ik geef U graag een paar tips wat U wel en beslist niet moet doen. En houdt steeds voor ogen, dat de promotieplechtigheid een ritueel is, een toneelstuk, met elementen van de klucht en de tragedie. Er zijn spelregels voor, die je niet met voeten mag treden. Ik herinner me een promotie in Utrecht van een laatbloeier, zelf werkzaam op een instituut en alle heren uit de corona kennend. Hij maakte de fout van 'oude jongens onder elkaar' en begon de eerste opponens ( je moet oppónens en niet opponént zeggen ) uiterst amicaal te antwoorden. Dat heeft hij geweten. De gelaten verstrakten en hij werd door de overigen hard aangepakt.
Meestal begint een opponent met een paar vriendelijke woorden om daarna de aanval te beginnen. Vergeet niet haar of hem eerst te bedanken voor zijn sympathieke inleiding, voordat je aan de beantwoording begint.De spelregels van dat vraag- en antwoordspel en de hoeveelheid tijd dat de vragenstellers en de promovendi wordt gegund worden goed in de gaten gehouden door de leider van het geheel, de decaan die er op let dat alle vragenstellers aan bod komen. Snakerige decanen kunnen nog wel eens voor een lach zorgen: toen Herman Pleij decaan was in Amsterdam begon een sociaal-geograaf zijn vraag met de zin 'Geachte promovenda, voordat ik uw dissertatie gelezen had, wist ik niet wat een kapittelkerk was', waarop Pleij riep: 'ga dan maar weer zitten'…Gelukkig voor hem, gehoorzaamde de hoogleraar niet.
U moet beducht zijn op flauwe vragen. De flauwste vragen komen van de luiste hoogleraren. Die brengen jouw boek onmiddellijk naar De Slegte en stellen je een vraag over een van je stellingen, het beste bewijs, dat ze het boek niet geopend hebben. Zo'n vraag mag je enigszins hautain beantwoorden, want iedereen weet, dat dit not done is. Het moeilijkst is het tegenovergestelde. Iemand stelt een vraag, die zich vertakt in drie vier subvragen, met daarachter nog weer een compleet andere vraag. Dat soort meervoudige vragen, moet je vooral niet proberen allemaal te beantwoorden. Kies dat element, waar je het meest vanaf weet en ga daar uitvoerig op in. Als je daarmee klaar bent, geeft de decaan veelal weer het woord aan de volgende vragensteller. Ergerlijk zijn ook de pietluttige vragen: iemand zegt, dat je op p. 157 het jaartal 1836 noemt als het jaar waarin Consciences De Leeuw van Vlaanderen is verschenen, maar het is toch echt1837. Ga er dan niet omheen praten en zeg zoiets als: in uw laatste recente boek over Conscience staat het heel duidelijk: 1837. U heeft terecht op een fout gewezen. Dan gaat U niet af, maar de man van Conscience. Dat zijn wat extreme voorbeelde. De meeste hoogleraren komen met vragen, soms heel principiële, maar zo geformuleerd, dat U niet wordt vastgepint, maar aan zijn wurggreep kan ontsnappen.
U gaat hoffelijk om met uw opponent, maar nooit onderdanig of serviel. Een beginnersfout die U nooit moet maken is, dat U de vragensteller complimenteert met zijn vraag, zoals Balkenende ik meen gisteren ook tegen zijn interviewster deed: goede vraag. Wie zoiets zegt promoveert zichzelf ongewild tot de meerdere van de vragensteller en misschien bent U dat ook wel, maar binnen dit spel past U zo'n opmerking niet.
Voorafgaande aan de promotie wordt wel eens de vraag gesteld of de promovendus wel uit zijn woorden kan komen. Daar is eigenlijk geen peil op te trekken. Studenten die bekend stonden als retorische genieën kregen soms geen volzin uit de mond en de stillen in den lande verbaasden soms door een gemakkelijkheid van redeneren die respect afdwong. Voor de vragenstellende hoogleraren zijn de moeilijkste momenten, wanneer iemand eigenlijk niet veel meer zegt dan: 'u heeft gelijk' of 'ja, inderdaad', dat is onjuist. De meeste vragenstellers hebben wel een tweede vraag in petto, maar ik heb het wel eens meegemaakt, dat ieder zijn twee vragen al had afgevuurd en er nog een kwartier overbleef. Pijnlijk voor iedereen. Als je van te voren erg gespannen bent, kan het zeer wel helpen om voorafgaande aan de promotieplechtigheid zelf voor het gezelschap in de zaal een inleiding over je boek te houden gedurende een kwartier. De microfoon is geen vreemde meer en je mond raakt geolied.
Het is ook goed U een beetje te oefenen in slim beginnen met een antwoord als U nauwelijks weet waar de opponens naar toe wil. Herhaal dan, alsof U het nog eens goed wil overdenken de vraag van de vragensteller, u rekt daarmee tijd en meestal borrelt een antwoord dan wel omhoog.
Het is allemaal goed gegaan. Van de drie kwartier zijn 43 minuten om, de pedel komt binnen om het 'hora est' uit te spreken, bederf dan de voorstelling niet als U op dat moment eigenlijk niets meer weet te zeggen. Verzin wat om die twee minuten nog vol te praten. Desnoods verwijs je naar een imaginair boek, dat je gisteren uit Parijs werd toegezonden en waar in ongeveer dezelfde bewoordingen het probleem werd getackeld.
En dan, na het beraad van de corona, komt het moment, dat te vergelijken is met de ridderslag van vroeger. U krijgt met de bul de doctorstitel uitgereikt. Het is een moment, waarop iedereen gaat staan en de promotor jou benoemt tot doctor. Ik vond dat altijd buitengewoon plechtig. Spanningen vielen bij gepromoveerde, maar ook bij de promotor weg. 'Een keer is het mij overkomen, dat dit plechtige moment ook tot een ontroerend moment werd, waardoor ik zelf moeilijk uit mijn woorden kon komen. De vader van de promovenda had nog wel de drukproeven van haar dissertatie kunnen zien, maar pas pal voor de promotie van zijn enig kind was hij overleden. Ik moest daar iets over zeggen en wilde op dat moment ook een beetje vader voor haar zijn. Ik was toen mijn ontroering niet goed meester en ik kan me dat moment nog herinneren als de dag van gisteren.
Dames en heren,
U heeft geluisterd naar het relaas van iemand die het begeleiden van proefschriften, meer nog dan college geven of artikelen schrijven de kern achtte van zijn hoogleraarschap. Immers, je helpt, ondersteunt,maar laat vooral vrij, jonge mensen die aan het bewijzen zijn, dat ze van de wetenschap houden en daar ook een bijdrage aan willen leveren. Dat deed ik tot een vijftal jaren na mijn emeritaat. Als mijn zondagochtendpreek U oubollig, achterhaald of bevoogdend in de oren heeft geklonken, beschouw mijn woorden dan als het beverig, maieutisch geprevel van een vroedvrouw uit een vervlogen academische tijd.

Wim van den Berg