Lezing Henry Habibe: Curaçao in poëtisch perspectief
Op vrijdag 17 april 2009 hield de Arubaan Dr. Henry Habibe in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam een lezing met als titel: "Curaçao in poëtisch perspectief". De heer Habibe is lid van de Raad van Advies van de Werkgroep Caraïbische Letteren, die deze lezing in samenwerking met de OBA heeft georganiseerd. Mevrouw Troelstra (OBA) heete de ruim 30 aanwezigen welkom, waarna Paulette Smit, lid van de werkgroep, Habibe inleidde en de aandacht vestigede op zijn passie voor de poëzie, in het bijzonder de Papiamentstalige. Habibe gaf in zijn ruim een uur durende lezing een beeld van de Curaçaosche poëzie tussen 1900 en 1965, die hij thematisch karakteriseerde als: 1. vaderlandslievende poëzie, 2. lyrische en 3. poëzie van de enigszins sociaal bewogen dichters. Als exponenten van het eerste thema noemde hij de Nederlandse frater Radulphus (1869-1961) die een jarenlang als volkslied gebruikte tekst in het Papiamentu over Curaçao had geschreven waarin de koningin (toen Wilhelmina) lof werd toegezwaaid. De tekst van Radulphus werd vergeleken met een soortgelijke tekst door de Curaçaoenaar Willem Kroon (1886-1949) waarin deze zich afzet tegen Nederland. Habibe liet zien hoe later ook andere Curaçaoenaars als Pierre Lauffer (1920-1981), Luis Daal (1919-1997) en Elis Juliana (1927) in hun gedichten de negatieve punten van hun eiland wel noemen maar met liefde behandelen en een zekere nostalgie uiten naar het oude Curaçao dat aan het verdwijnen is. Voor het tweede thema, de lyriek, vergeleek hij gedichten van W.M Hoyer (1862-1953), J.S. Corsen (1853-1911), L.Daal en P. Lauffer die de dood tot onderwerp hebben. In het gedicht van Hoyer wordt de dood gezien als een eiland van rust in het turbulente leven, Corsen voorvoelt de dood in zijn gevoelens van angst en droefenis bij het vallen van de avond - de avondschemer was een geliefd thema bij romantische dichters - in het zeer bekende gedicht "Atardi" en Daal en Lauffer willen zich als het ware offeren aan de dood in hun respectieve gedichten: "Morto deseá" (De dood die ik me wens) en "Ik bemin de dolk van mijn zuster melancholie". Juliana en E. Davelaar (1898-1967) kenschetste Habibe als representanten van de enigszins sociaal bewogen dichters, het derde thema. Davelaar heeft kritiek op de overheid die nalaat de lokale bevolking te beschermen en buitenlanders bevoorrecht. Juliana, die aanvankelijk mild is en vol humor in zijn kritiek op de onhebbelijkheden van zijn eilandgenoten, wordt in zijn latere werk, de OPI-bundels (OPI staat voor: organisatie, planning en onafhankelijkheid), veel scherper en hekelt bijtend de huichelarij op het eiland. De lezing werd vaak toegelicht met voordracht van poëzieragmenten door Habibe zelf en Igma van Putte- deWindt, ook lid van de werkgroep. |